Herinneren als niemand zich meer herinnert

Was het enkele jaren geleden de Duitse ambassadeur, nu is het de zoon van NSB-er Rost van Tonningen die de gemoederen van herdenking bezighoudt. Pijnlijk of moedig, herdenken verandert. Ieder jaar herdenken we intensief maar herinneren we ons minder, omdat het aantal overlevenden van verzet en massamoord steeds kleiner wordt. Met het wegvallen van de eerste generatie oorlogsslachtoffers moet het debat over de toekomst van herdenken opnieuw gevoerd worden. Heeft herdenken zonder te herinneren die impact, die oorlogsslachtoffers waardig is? Gaat het alleen om het betonen van respect of blijft de Tweede Wereld Oorlog ook voor ons huidig moreel bewustzijn relevant? Hoe blijven we in de toekomst bij de les zoals diegenen die opstonden en zich verzetten dat deden. De les dat vrijheid kwetsbaar is, discriminatie en racisme verwoestend zijn en oorlog generaties lang nasiddert. Zijn die lessen inderdaad tijdloos of worden zij geschiedenis? Hoe zorgt de derde generatie dat herdenken herinneren blijft en herinnering verankerd wordt?

Hoe langer hoe minder overlevenden van verzet en vervolging herdenken nog met ons. Na 66 jaar is herinnering minder vanzelfsprekend. Dit vraagt om een gedachtewisseling over de relevantie van herinneren, waartoe onder anderen Alex de Vries, adjunct hoofdredacteur van WNL, in zijn toespraak tijdens de laatste Dachau herdenking opriep. Een debat over hoe je aandacht besteedt aan twee onderwerpen die organisaties voor verzets- en oorlogsgetroffenen als doel hebben; de herinnering en de verankering. Herinnering aan wat er gebeurde, verankering van de les hoe dat kon gebeuren.

Herinnering aan het waarom van “dat nooit weer” is nu actueler is dan ooit. Niet zozeer, zoals Thomas von der Dunk betoogt, omdat er politieke groeperingen zijn die een koers varen die we lang niet gewend zijn geweest. Wel omdat onze samenleving een tendens van escalatie vertoont. Een escalatie door het groter wordende verschil tussen privé en publieke ethiek. We beoordelen elkaar steeds meer op groeps- in plaats van individuele eigenschappen. Een gevoel van niet vervulde maar wel verwachte rechten, en van wel benoemde maar niet genomen verantwoordelijkheden maakt ons bozer. De gedachte dat de essentie van vrijheid juist is dat we het recht hebben het niet met elkaar eens zijn, vermindert. We nemen elkaar de maat, zonder zelf receptief te zijn voor feedback. De oorlog wordt soms te snel gebruikt om onrecht aan te klagen en morele oordelen over andermans uitspraken te doen. Als er echter iets is dat we van de Tweede Wereld Oorlog hebben geleerd is het dat escalatie binnen een samenleving door gebrek aan individuele morele sturing zijn uitweg vindt in gruwelijkheden. Het is niet zozeer een gebeurtenis of een politieke stroming die op gespannen voet staat met de lessen van “dat nooit weer”, het is het gebrek aan reflectie op ieders individuele bijdrage, die kan leiden tot escalatie. Juist die reflectie over de eigen morele verantwoordelijkheid wordt door herinnering gevoed.

De Tweede Wereld Oorlog is op meerdere vlakken van belang voor reflectie over onze maatschappij. Daarom moeten we de herinnering aan die oorlog niet op één hoop gooien, maar vanuit verschillende invalshoeken benaderen. Verzet en politiek geweld tonen de kwetsbaarheid van vrijheid aan, daar waar de Holocaust de boodschap tegen discriminatie op grond van ras en geaardheid uitdraagt. Herinnering aan militair geweld maakt mensen bewust van de grote gevolgen van oorlog. De Aziatische slachtoffers tonen de universele noodzaak van het voorkomen van geweld, onderdrukking en internering uit. Mensen die werden vermoord omdat zij opstonden en zich verzetten tegen onderdrukking en massamoord onderstrepen de boodschap van “dat nooit weer”. Als we die boodschap willen vasthouden, moet de herinnering voor de toekomst recht doen aan de verschillende invalshoeken. Het onderscheid tussen politiek, etnisch en militair geweld toont de belangrijkste risico’s als een samenleving op drift raakt. Bij “dat nooit weer” hoort de onderkenning van die risico’s en het verschil ertussen.

De nationale stilte moet meer blijven dan een symbool van een pijnlijke geschiedenis. Alleen het herdenken van persoonlijke verhalen kan de les voor de toekomst verankeren; appelleren aan het bewustzijn dat vrijheid kwetsbaar, discriminatie onherstelbaar en oorlog lang onuitwisbaar is. Het is in de toekomst onontkoombaar dat er herdenkingen zullen verdwijnen. Het is onze taak om ze niet in de vergetelheid te laten wegzakken, omdat ze het persoonlijke verhaal vertellen. Dat kan door lintherdenkingen, intensievere koppeling van monumenten aan scholen en andere maatschappelijke instellingen. Zo wordt niet alleen oorlogsslachtoffers recht gedaan maar kan herdenking de herinnering blijvend maken.

Organisaties voor verzets- en oorlogsgetroffenen zelf zijn versnipperd en staan niet altijd voor een eenduidig doel. Van Ginkel spreekt in zijn boek Rondom de stilte zelfs van slachtofferrivaliteit en herdenkingsnijd. Een gezamenlijke boodschap is alleen niet altijd logisch zolang de getraumatiseerde generaties hun eigen herinnering terecht als ijkpunt voor herdenking hebben. Voor de toekomst van herdenken is het echter van belang dat de organisaties de handen ineen slaan, voordat ze in de vergetelheid geraken. Misschien moet de derde generaties dat doen. Zij hebben, zoals Marjan Swegman van het NIOD in een interview met de Pers constateert, de interesse en zien het belang van herinneren. Het wordt zaak dat zij die interesse in daden omzetten. In sommige organisaties gaat dat al heel goed, maar de breedte van de samenwerking moet nog beter gevonden worden. De derde generatie zal de verbinding tussen de individuele organisaties moeten versterken, om herdenking, herinnering en verankering in de toekomst te behouden.

Met de overgang van generaties moet ervaring worden omgezet naar lering. Gelukkig hoef je niet altijd iets te ervaren om te weten dat je het moet voorkomen. Zodra door herdenken de herinnering wordt vastgehouden, is van verankering sprake. Maar voor verankering is meer nodig. Verankering moet leiden tot het natuurlijk menselijk besef dat discriminatie en vervolging leiden tot gruwelijkheid, die alleen mensen elkaar aan kunnen doen. Bundeling van organisaties voor verzets- en oorlogsgetroffenen kunnen de kracht van verankering verstreken. Kracht om toekomstige generaties goed te informeren. Bijvoorbeeld door herinneringsprogramma’s intensiever aan het onderwijs aan te bieden. Door de ambitie te realiseren dat iedere Nederlandse scholier in zijn opleiding minstens 1 maal een concentratiekamp heeft gezien. Inzet zodat toekomstige generaties niet alleen hun geschiedenis goed kennen maar die ook vertalen in individueel moreel bewustzijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de derde generatie om ook voor de komende decennia herinnering door herdenking te verankeren. Niet alleen uit respect en dankbaarheid voor datgene dat wij door hun verlies verkregen. Niet alleen omdat je geen toekomst kunt bouwen zonder het verleden te kennen. Maar juist om straks te begrijpen dat het bewustzijn vraagt om vrijheid te kunnen koesteren.

This entry was posted in Betrokken bij, Nederlands Dachau Comite, Over democratie, Standpunten. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *